De onteigeningswet stamt uit 1851 en is volgens de minister dringend aan vernieuwing toe. Niet alleen bestaat de wens om de procedures aan te passen, ook de systematiek wil men herzien. Op zich is het geen rare gedachte om eens in de zoveel tijd te bekijken of een (verouderde) wet nog wel aansluit bij de huidige gang van zaken en systematiek. Alleen zou dit er niet toe moeten leiden dat de positie, in dit geval van de te onteigenen eigenaar, er op achteruit gaat.

Waar tot op heden de Kroon het besluit tot onteigening neemt, zal dit besluit straks worden genomen door het bestuursorgaan zelf. In het huidige systeem kan het bestuursorgaan – met het besluit van de Kroon in de hand – de eigenaar dagvaarden voor de civiele rechter, die uiteindelijk de onteigening moet uitspreken.

In het concept wetsvoorstel dat nu voorligt, moet de eigenaar zelf tijdig (want de termijnen binnen het bestuursrecht zijn strak en een overschrijding is niet snel verschoonbaar!) in actie komen nadat het bestuursorgaan het onteigeningsbesluit heeft genomen.

Wanneer de eigenaar niet tijdig zijn bezwaren kenbaar maakt, zou dat in het uiterste geval tot gevolg kunnen hebben dat de eigenaar zonder weerwoord onteigend wordt. Hierop is veel kritiek geleverd.

Onteigening is de meest ingrijpende inbreuk die de overheid op het eigendomsrecht kan maken

Ingrijpende inbreuk

Onteigening is de meest ingrijpende inbreuk die de overheid op het eigendomsrecht kan maken. Onteigening mag daarom pas worden ingezet als ultimum remedium en dus pas in het geval dat de overheid en de eigenaar niet in der minne tot een oplossing kunnen komen. Als een minnelijke regeling uitblijft, mag het vervolgens niet zo zijn dat de overheid ‘gemakkelijk’ tot onteigening kan overgaan.

Door het besluit tot onteigening straks bij het bestuursorgaan zelf neer te leggen, kan dat er enerzijds toe leiden dat het betreffende bestuursorgaan meer verantwoordelijkheid neemt om zich in te spannen om tot een minnelijke regeling te komen doordat het zich niet langer kan verschuilen achter het uiteindelijk door de Kroon te nemen onteigeningsbesluit.

Anderzijds zou het gegeven dat het bestuursorgaan zelf het besluit tot onteigening neemt en het gegeven dat het vervolgens aan de eigenaar is om daartegen in actie te komen, voor het bestuursorgaan een extra pressiemiddel kunnen opleveren om de eigenaar te bewegen een (voor hem misschien wel ongunstige) minnelijke regeling te treffen. Dat lijkt niet wenselijk.

Daardoor, gelet op het zeer ingrijpende karakter van onteigening en zeker om de simpele reden dat een eigenaar een goede rechtsbescherming behoeft (tegen de overheid) en deze het beste kan worden gegarandeerd middels een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang, is het niet meer dan juist dat de minister in haar brief van 20 januari jl. heeft laten weten dat zij voornemens is om de voorgestelde onteigeningsprocedure zo te versterken dat de bestuursrechter bij elke onteigening betrokken zal zijn en niet slechts bij tijdig initiatief daartoe door de eigenaar. Op welke wijze de minister hieraan precies invulling wil geven, volgt nog.

Deze blog van Ilse van Ast werd eerder gepubliceerd op de website van de NVM.